een streling voor het oog

Binnen houden van koi: schadelijk voor de huidkwaliteit?

Op fora en social media wordt vaak gewaarschuwd voor het teruglopen van kleuren wanneer koi verwarmd binnen worden gehouden. Met name wanneer het de geliefde Gosanke-groep betreft wordt grote voorzichtigheid betracht, met waarschuwende met terugschrikkende verhalen over "het uit elkaar trekken van beni" en andere gewelddadige acties tegen deze geliefde koi en haar kleur.

Maar is dit eigenlijk wel zo? Dat kleuren teruglopen bij het binnenhouden van koi zal een ieder herkennen. Je ziet het aan het einde van het seizoen bij dealers, koi zijn in het voorjaar geïmporteerd en na lang binnen zitten is de jeugdigheid en intensiteit van het kleurenpallet soms diep gedaald. Hoe schadelijk is dit binnenhouden nou (geweest) voor de kleuren op de langere termijn, en zeker wanneer de koi in de "groeistand" is gebracht door deze in die tijd op hogere temperaturen te houden?


Huidkwaliteit en huidcondities


Wanneer we een beoordeling doen van de huid moeten we ons goed realiseren dat er een verschil is tussen “kwaliteit” en “conditie” van de huid. De kwaliteit is een indicator van de maximale potentie die genetisch is meegegeven. Wanneer een aspect ontbreekt in dat genetische materiaal, dan kunnen we goede zorgen geven wat we willen, maar het zal niet helpen. Dat laatste, het geven van goede zorgen, is juist een indicator en beïnvloeder voor de conditie van de huid. Als omstandigheden niet geoptimaliseerd worden, kun je dit terugzien in de conditie van de huid.

Nu begint het ook interessant te worden: wanneer je de huid zodanig zou kunnen beïnvloeden dat deze in optimale omstandigheden niet meer zou kunnen herstellen, dan heb je in feite iets aan de kwaliteit veranderd (even los van de conditie). Als je hierover nadenkt dan moet je de conclusie trekken dat hier iets opmerkelijks geconcludeerd kan worden: je zou dan genetisch materiaal hebben vernietigd dat voorkomt dat de maximale kwaliteit niet meer realiseerbaar is. Oftewel, de kwaliteit van de huid is verloren geraakt wat zichtbaar moet zijn wanneer de huidconditie in maximale toestand is gebracht.

Dit laatste is natuurlijk een discutabele conclusie, het is dus zaak ook andere aspecten hierbij te betrekken, zoals bijvoorbeeld "pigment" daar eentje van is. Kleur bij koi wordt vormgegeven door verschillende cellen, elke kleur heeft daarbij zijn eigen “soort” die kleuren, voor elke kleur is dat een ander. Dit zijn als het ware sub-klassen van een fenomeen genaamd “Chromatoforen”. In deze cellen is een stof beschikbaar die door omstandigheden kan worden beïnvloed, ofwel geprikkeld. Denk hierbij bijvoorbeeld via de aanwezigheid van algen waar de koi van snoept, de voeding die de koi-houder geeft in de vorm van pellets of bijvoorbeeld een toename van UV-licht. Terugredenerend naar de casus zou je dan moeten stellen dan het lang binnenhouden van koi dat leidt tot verminderde kwaliteit komt door het vernietigen van deze pigmentcellen of het zodanig beïnvloeden dat deze voorgoed verminderd reageren op externe prikkels. Alleen in dat geval is destructie/vernietiging te concluderen en zou je kunnen spreken van schade die is toegebracht.

Ik denk niet dat het binnenhouden van koi dusdanig destructief voor de huid is dat dit niet binnen redelijke termijn kan herstellen. Wanneer de koi buiten komt zal de huidconditie dermate verbeteren dat het maximale potentieel van die koi weer bereikt kan worden via de juiste zorg. Wanneer dit niet het geval is, dan is een al aanwezige deficiëntie in kwaliteit hiervan de grondoorzaak, en niet het feit dat deze koi binnen is gehouden! Mijn stelling hierin is dat versnelde achteruitgang in de toekomst van de koi alsnog zou gebeuren, het binnen houden heeft deze aftakeling mogelijk wel extra versneld of in ieder geval zichtbaar gemaakt.

Waar komt dit verhaal dan toch vandaan? Het is in mijn optiek ZEER discutabel dat je de huid van een jonge koi (tot en met nisai, dus 2-jarig) zodanig snel kan vernietigen dat onomkeerbaar is en niet meer kan herstellen. In de eerste twee jaar staat een koi juist stijf van de groeihormonen, zijn hele metabolisme is praktisch enkel en alleen gericht op groei! De huid is zeer elastisch, en heeft een groot herstellend vermogen. Koi die in de eerste twee jaar een groei niet kunnen volgen qua huidkwaliteit zijn domweg van een te lage kwaliteit! Dit zijn koi die uitstel van executie hebben of krijgen, en hun deficiëntie in de nabije toekomst altijd zullen tonen.

Wat ook wel interessant is om je te realiseren, dat de waarschuwende vingers praktisch meteen worden gegeven bij een Gosanke, omdat het beni (rood) als precair wordt verondersteld. Je leest zelden dat de straffende vinger ook wordt getoond wanneer een chocoladebruine Chagoi tot “hopjesvla” vervalt, of een mooie Yamabuki (geel) na een paar maanden binnen wordt versleten voor een Platinum Ogon (wit). In beide gevallen is de oorspronkelijke kleur geen schim van de schoonheid die het ooit was, maar hier heeft de gemiddelde hobbyist het nooit over. Het is overbodig te stellen dat "Cha" (bruin) en "Ki" (geel) snel zal herstellen wanneer de koi naar buiten gaat, en de meeste hobbyisten weten dat ook want deze variëteiten zijn dankbare “groei-objecten voor de winter”. Waarom dan toch die grote angst voor verlies van kleur wanneer het specifiek gaat om de geliefde rode pigmentcellen? Zegt u het maar…

Persoonlijk denk ik dat het al erg helpt als we “kwaliteit” en “conditie” goed uit elkaar weten te houden. Hier kan een flinke Babylonische spraakverwarring over ontstaan, en zeker wanneer men de context niet machtig is en “papegaai-gedrag” op de loer ligt. Een alom gerespecteerde regel om beni/hi (rood) wat rust te geven is de temperatuur wat terug te brengen en de koi uit "de groeistand" te halen. De controlevraag is nu wel even nodig: doen we dit om de kwaliteit of de conditie van de huid te verbeteren? Juist, het houdt de huid in een betere conditie, het geeft de koi net dat extra aantrekkelijke zetje dan je niet zou hebben zonder deze periode van herstel. Het moge duidelijk zijn dat deze methode voornamelijk gehanteerd wanneer iemand (bijvoorbeeld een dealer) koi verzorgt voor iemand anders, het oog wil immers ook wat... Maar dat betekent nog niet dat er permanente schade aan de huid is voorkomen, het betekent dat de conditie van de huid in acht wordt genomen!

Hoe ver kun je dan gaan totdat het proces onomkeerbaar is?


Daar is in principe een eenvoudig antwoord op: veel verder als dat je zou denken. Natuurlijk proberen we als hobbyisten de huid in de best mogelijke conditie te houden, en een binnensituatie geeft daar niet de beste mogelijkheden voor. Kleuren zullen in intensiteit teruglopen, en wanneer men daarom vraagt zullen hobbyisten of dealers hun waarschuwingen geven. Maar hoeveel van deze hobbyisten of dealers hebben daadwerkelijk na minimaal 1 jaar in hun vijver geconstateerd hoeveel schade er daadwerkelijk is opgetreden? Vraag er maar eens naar, hieronder vind je enkele aansprekende voorbeelden van jonge koi die in hun eerste jaar "flink uit elkaar getrokken zijn" (wat dat ook wezen mag), of “zijn verkloot” en trek je conclusies:

Herstel conditie van de huid Showa

Resumé


Als hobbyist zullen wij de basis van huidkwaliteit moeten blijven respecteren: door deze te optimaliseren kunnen we het aanwezige potentieel maximaal benutten, maar nooit boven het niveau dat dit genetisch materiaal toestaat (kwaliteit). Het is een uitdaging dit te bereiken, de vrijheden binnen de grenzen daarvan kunnen een tijdelijke achteruitgang betekenen van de huidconditie. Wanneer deze echter doorslaat naar een verminderde kwaliteit dan is genetisch materiaal vernietigd. Of het binnenhouden van koi dat teweeg kan brengen of dat dit effect zich in de toekomst toch al zou openbaren is wat mij betreft geen discussie: ga verstandig om met je koi, er is tijd genoeg voor ontwikkeling, maar laat je niet afschrikken door dogma's en starre meningen want "papegaaien" is een populaire aangelegenheid op internet. Zelfs met de meest moderne middelen die tot onze beschikking staat geldt vandaag de dag nog steeds: gebruik je boerenverstand, en vorm je een eigen mening.

Kinginrin: spiegeltje, spiegeltje...

Kinginrin is een verschijningsvorm van een glinstering op schubben. Het vertaalt zich het best als "gouden en zilveren schubben" en wordt vaak afgekort tot "ginrin". Er zijn ginrin-versies van praktisch iedere variëteit en goed ginrin kan een prachtige verschijning zijn.

Soorten kinginrin


Er zijn 4 verschillende soorten kinginrin:

  • kado-gin, waarbij de glinstering is gepositioneerd op het uiteinde van de schub. Deze vorm van ginrin wordt vaak aangetroffen bij koi van de Matsunosuke bloedlijn. Kenmerkend hierbij is dat het specifieke ginrin vaak alleen (maar niet altijd) in de eerste rijen schubben voorkomt. Let op: Matsunosuke ginrin heeft de verschijningsvorm van kado-gin maar is een specialisatie. Om deze reden valt Matsunosuke-gin dan ook niet in de kinginrin-klasse!
  • beta-gin, waarbij de glinstering de gehele schub bedekt en een heldere reflectie veroorzaakt
  • pearl-gin, waarbij de glinstering is beperkt tot de kern van de schub. De oorsprong van pearl-gin is gelegen bij de Sekiguchi Koi Farm, in de jaren 70 maakte Kosuke Sekiguchi kenni smet een koi genaamd "Tamagin", een varieteit met een mamer-achtige glans op de schubben. Het was bekend dat deze glans na ongeveer drie jaar verminderde en verloren raakte. Sekiguchi is in staat gebleken deze glans te borgen in haar koi, de glans bleef en vervaagde niet meer naarmate de koi begin te groeien. Dit is het onstaan geweest van pearl-ginrin. Het is dan ook geen wonder dat Sekiguchi tot op heden het best in staat is koi met deze prachtige vorm van ginrin te produceren.
  • diamond-gin, waarbij de glinstering als strepen over de schub heenlopen. Deze vorm wordt ook wel “Hiroshima Gin” genoemd, en ook “Daiya Gin” is er een synoniem voor,

In onderstaande afbeelding worden deze typen kinginrin weergegeven:

Typen van Kinginrin

Kado-gin, Beta-gin en Pearl gin zijn ontstaan in Niigata, terwijl diamond-gin zuidelijk is ontstaan (Hiroshima). Deze vorm wordt ook wel Daiya-gin oftwel Hiroshima Gachagin genoemd en heeft de verschijningsvorm van gebroken glas.


Voorbeelden van kinginrin


Kado-gin

Kado-gin is een prachtige verschijningsvorm, onderstaande Asagi is daar een sprekend voorbeeld van. Goed zichtbaar zijn de glinsteringen die zich als halve maandjes uiten op het einde van de schub. Naast de Asagi een voorbeeld van een Matsunosuke Sanke met het kenmerkende Matsunosuke gin::

Kado ginrin op een AsagiMatsunosuke Sanke met Matsunosuke Gin

Beta-gin

Onderstaande afbeelding is een voorbeeld van beta-gin.

Beta gin op een Kohaku

Pearl-gin

Onderstaande afbeeldingen zijn voorbeelden van pearl-gin, goed zichtbaar is de glinstering in de kern van de schub:

Pearl ginrin op Sekiguchi koiDetailopname pearl ginrin

Diamond gin

Onderstaande afbeelding is een voorbeeld van diamond gin:

Diamond gin op een Sanke

Pictures courtesy of public forum of KoiBito

Ontwikkeling van kinginrin


Kinginrin is al op zeer jonge leeftijd aanwezig. Een van de moeilijkste aspecten aan een koi met kinginrin is om de kwaliteit daarvan te behouden tot volwassen leeftijd. Is de koi van goede kwaliteit dan zal deze ook goed blijven, maar niet zelden vervalt het terug naar inferieure vorm. Omdat de glinsteringen dermate aanwezig zijn is iedere oneffenheid direct zichtbaar, waardoor bij het teruglopen van de kwaliteit van het kinginrin de aantrekkelijkheid van de koi evensnel verdwijnt.

Kinginrin en koishows


Op shows is een onderscheid gemaakt in twee groepen als het gaat om kinginrin:

  • Ginrin A, met daarin de Kohaku, Sanke, Showa en Shiro Utsuri (Gosanke)
  • Ginrin B, met daarin alle andere varieteiten die niet tot groep A behoren

Om tot de Ginrin-klasse te behoren moet een koi minimaal 20 glanzende schubben hebben. Voor ZNA-jurering moet een koi minimaal drie aansluitende rijnen van ginrin-schubben hebben om tot de klasse te worden toegelaten. Uitzondering hierop zijn koi van Matsunosuke-afkomst die ondanks reflectieve schubben niet tot de kinginrin-klasse worden toebedeeld, bij dergelijke koi wordt dat gezien als een integraal onderdeel van de huidkwaliteit (Gosanke).

Hoewel koi met kinginrin als een varieteit worden beschouwd is een dergelijke koi erg gerelateerd aan persoonlijke smaak. Er zijn vele hobbyisten die kinginrin niet kunnen waarderen. Een oorzaak daarvan is gelegen dat kinginrin dermate aanwezig is dat het wel van goede kwaliteit moet zijn om niet storend te worden. Juist in dat geval geeft het de koi een enorme meerwaarde. Helaas is het zo dat koi met een goede kwaliteit kinginrin niet op iedere straathoek te vinden zijn, wilt u echter een speciale koi dan moet u hiervoor bij de gespecialiseerde koi-dealer zijn. Een sprekend voorbeeld van een sublieme koi met diamond-gin is "Diamond X", een kinginrin Kohaku die is aangekocht door RelaxZen. Deze koi van Momotaro, een zuidelijke koi-kweker, is bezegeld met een sublieme vorm van diamond-gin, heeft haar naam hierdoor gekregen en zullen we terug gaan zien op de erepodia van de verschillende koi-shows:

Diamond X, diamond-gin op topkwaliteit!

Chromatoforen: Iridoforen en "andere foren"

De reflectie en pigmentatie van de huid is uitermate belangrijk, het geeft de koi vaak juist dat ene extra aspect wat je aandacht zo lang kan vasthouden! De reflectie wordt veroorzaakt door glanskristallen en zijn eigenlijk pigmentcellen die licht reflecteren. Ontwikkelde glanskristallen worden "chromatoforen" genoemd, het zijn cellen die biologische pigmentkorrels bevatten en ook reflecteren. Chromatoforen worden bij verschillende diersoorten gevonden en zijn grotendeels verantwoordelijk voor huid- en oogkleuring. In het licht van de nishikigoi wordt tevens gesproken van guanine, een laag die wordt opgebouwd in de lederhuid van koi en als zodanig als basis fungeren voor de chromatoforen. De kwaliteit van bijvoorbeeld "fukurin" wordt met name bepaald door de aanwezigheid van het guanine-gehalte, de mate van schittering van de huid tussen de schubben is kenmerkend voor een hoge kwaliteit.

Chromatoforen zijn gegroepeerd in een aantal subklassen, gebaseerd op hun kleur onder wit licht (voor koudbloedige dieren zoals nishikigoi):

  • xanthoforen (geel)
  • erythoforen (rood)
  • iridoforen (reflecterend)
  • leucoforen (wit)
  • melanoforen (zwart/bruin)

De aanwezigheid of ontbreken van bepaalde subklassen leidt ons tot de verschillende variëteiten. Zo heeft bijvoorbeeld een Yamabuki Ogon (geel-gekleurde vis) overheersend xanthoforen en een afwezigheid van erythoforen (rood). Soms ziet men Yamabuki met rood/oranje spots, daarvan kan gesteld worden dat de genetische aanwezigheid van erythoforen debet is aan deze genetische schoonheidsfout. De aanwezigheid of mix van deze pigmentcellen geven de koi haar kleur en patronen.

Het zijn ook deze pigmentcellen die de sleutel vormen naar verschillende verschijningsvormen van de huid zoals "metallic", zijdezacht en ginrin (waarbij de gehele schub of een gedeelte daarvan zoals kado-gin of pearl-gin zich toont als een spiegel). De concentratie van de pigmentcellen bepaalt de "diepte" en intensiteit van de kleur. Niet zelden kan men bij het beoordelen van de huid van een koi kleine verkleuringen ontdekken die het gevolg zijn van een mindere aanwezigheid van de betreffende pigmentcellen.

Voor de Gosanke-groep zijn met name de aanwezige hoeveelheid van iridoforen, erythoforen en leucoforen de sleutel voor kwaliteit. Onder een microscoop of bij directe beschijning van zonlicht zijn iridoforen goed waaarneembaar (via een schub bijvoorbeeld waarbij het guanine zorgt voor de reflectie) maar bij een echte kwaliteitskoi zijn deze ook met het oog waarneembaar. Met name het shiroji (wit) geeft een prachtige glanzende kwaliteit bij voldoende aanwezigheid van iridoforen en leucoforen. Onderstaande foto's, een kwaliteits-kohaku van Toshio Sakai en een Tancho Sanke van Dainichi, tonen via de kleine glinsteringen over een prachtige glans te beschikken:

Iridophores and Leucophores on a Kohaku Iridophores and Leucophores on a Tancho Sanke

Door op een afbeelding te klikken wordt deze vergroot, en is de schittering van de huid goed te zijn (zowel in beni van de Kohaku als in shiroji van beiden). Alleen op de beste Gosanke vindt u deze glanskristallen in deze hoeveelheid terug. Lukt het de hobbyist om een koi met een dergelijke huidkwaliteit ook nog fukurin te laten ontwikkelen (als de bloedlijn dit toelaat, ook dit is genetisch bepaald) dan heeft men een kwalitatief zeer aantrekkelijke koi!

Wat belangrijk is om te onthouden is dat de hoeveelheid chromatoforen genetisch is bepaald. Pigmentcellen kunnen zich wel voeden om een diepere kleuring te tonen, maar de totale aanwezige hoeveelheid is redelijk vast. Met kleurvoer wordt bijvoorbeeld gepoogd een extra stimulans te geven aan de kleurontwikkeling, waarbij met name een intensivering van het beni zichtbaar is. In feite worden dan de erythoforen gestimuleert om zich op het best te tonen. Soms is leidt dit ook tot "secundair hi", erythoforen die zich bevinden in het shiroji (witte platen) van een koi en onbedoeld ook gestimuleerd worden waardoor er oranje-achtige plekjes ontstaan die vaak afbreuk doen aan de algehele kwaliteitsbeleving van de betreffende koi. Feitelijk is dit een genetische schoonheidsfout die niet te voorspellen is, maar vaak voortkomt uit de erfelijke eigenschappen van de ouders en voorouders van de betreffende koi. Dit effect wordt vaak gezien bij Shiro Utsuri, een zwarte koi met witte platen die voorkomt uit de Showa-kweek. Het is het doel van bekende Shiro Utsuri kwekers om de aanwezigheid van erythoforen eruit te kweken, voor een kweker als Omosako is dit een levensdoel geworden.

Fukurin

Over Fukurin is en wordt veel geschreven. Vaak is dat een teken dat iets niet helemaal duidelijk is, of (vaker) dat het een complex onderwerp betreft. Met betrekking tot Fukurin is het eerste het geval, veel van onze nishikigoi-kennis is overgedragen door Japanners, en aangezien de industrie nog relatief jong is wordt niet altijd hetzelfde verstaan onder hetzelfde begrip. En als zelfs de "uitvinders" niet met een eenduidige definitie op de proppen komen wordt het voor ons als aanschouwend publiek helemaal een onduidelijk verhaal. Fukurin komt men ook tegen als "Fucurin" en "Fukarin" waarbij mogelijk het omzetten van de Japanse term naar het Westen voor deze fonetische versies heeft gezorgd. Als je het uitspreekt is er geen verschil, maar als het om schrijven gaat wordt er nog wel eens een discussie gevoerd.

Als we kijken naar de definitie zelf van Fukurin dan is er in principe niet veel ruimte voor mis-interpretatie:

"Fukurin: Scale Wrap. It is the cuticle of the skin wich appears as a line drawn in a ring around a scale. This name was taken from the term Fuku ( meaning to "cover" or "wrap" ) and Rin ( meaning "scale" ) Fukurin is most noticeable in Hikarimono, and was originally thought to occur only in metallic varieties because it was harder to see in other varieties. Fukurin is now also seen in large Kohaku and Taisho Sanshoku."

Vertaling:
"Fukurin. De omslag van de schub. Het is de opperhuid van de huid die als lijn verschijnt die in een ring rond een schub wordt getrokken. Deze naam werd genomen uit de term Fuku ("te behandelen“ of „omslag&ldquoWinking en Rin (dat "schub“ betekent). Fukurin is het meest zichtbaar bij Hikarimono, en oorspronkelijk toegwezen aan metaal-achtigen omdat het moeilijker was om in andere verscheidenheden te zien. Fukurin wordt nu ook gezien in grote Kohaku en Taisho Sanshoku"

Vanuit deze definitie spreekt men van Fukurin als de middelste huidlaag dermate zichtbaar wordt dat het lijkt alsof de schub wordt omrand door een omslag, van huid wel te verstaan. Aangezien de huid de neiging heeft om een zacht-glanzende vorm aan te nemen wordt Fukurin ook wel eens verward met ginrin-varianten. Echter, ginrin is een schittering van de schub terwijl Fukurin een glinstering van de langsliggende huid is. Een plaatje maakt meestal meer duidelijk dan vele woorden, onderstaand is een afbeelding van het Fukurin van Yamato, een van de grote prijswinnaars van Sakai Fish Farm en van een kwaliteit-sanke (met dank aan Rene Gerritzen):

Fukurin on Yamato from Sakai Fish Farm Fukurin op sanke

Nu is Fukurin op Gosanke erg begerenswaardig, maar niet altijd aanwezig en zeker niet vaak in de allerbeste verschijningsvorm. Op de afbeelding van Yamato is met name op het shiroji (wit) te zien dat de schubben als het ware worden omgeven door een netpatroon. Door als eerste een afbeelding te laten zien van Fukurin op een Gosanke (deze Kohaku van SSF) wordt je mogelijk op het verkeerde been gezet, Fukurin in deze kwaliteit is zeker geen regel voor deze varieteit! Hoogstens erg geapprecieerd, en dan krijg je het prijskaartje erbij kado Winking. Een koi met Fukurin van deze kwaliteit heeft per definitie veel meer kwaliteiten waardoor deze dus per definitie een (erg) hoge waarde vertegenwoordigt.

Fukurin is het beste zichtbaar bij ogons, de zogenaamde eenkleurige koi. Onderstaande afbeelding is een schoolvoorbeeld van Fukurin:

Fukurin op Ogon

Op de meeste ogons is Fukurin aanwezig naarmate deze groter worden en verbeteren. Ook hier geldt dat dit niet op iedere ogon het geval is maar de kans op Fukurin op een ogon is vele malen groter dan op een Kohaku of Sanke. Een ding met betrekking tot fukurin is zeker: op doitsu koi (schubloze koi) komt het niet voor! Ontwikkeling van Fukurin vindt plaats in de latere groeifasen van de koi. Heel soms wordt het ook wel op tosai aangetroffen, maar dit is een uitzonderingsgeval: Fukuri moet gezien worden als een kwaliteitscriteria dat mogelijk nooit zichtbaar wordt, maar naarmate de koi ouder wordt kan het ontwikkelen. Op grote(re) koi is het makkelijker te herkennen.

Typen Fukurin:
Er zijn twee typen Fukurin te onderscheiden (zie http://www.akca.org/library/fukurin.htm) waarbij het Fukurin type I het meest voorkomt bij Ogons (zie plaatje hierboven, dit is Fukurin Type I). Het tweede type Fukurin is zichbaar op de andere twee afbeeldingen waarbij opvallend is dat de schub zelf praktisch niet (meer) zichtbaar is). Type 2 is vooralsnog alleen weggelegd voor Kohaku en Sanke. In schema zijn beide typen Fukurin als volgt herkenbaar:

Fukurin Type I Fukurin Type II

  • Type 1 Fukurin ontstaat wanneer de middelste huidlaag (nanshitsu shimpi) naar de oppervlakte toe groeit over de aangrenzende schub, zichtbaar als huid rondom de schubben. Omdat huid en schub licht anders reflecteren geeft het een net-achtige verschijning. Veel varieteiten bestaan met het Type I Fukurin, zoals de eerder genoemde Ogon, mar ook de Kujaku, Ochiba Chigure en de Matsuba. Fukurin Type I kan ook voorkomen op Kohaku, Sanke (met name Matsunosuke-Sanke) en Showa. Op het moment dat het "uitgroeien" van de huid zichtbaar is voor de observator maakt deze kennis met Fukurin!
  • Type 2 Fukurin onstaat wordt gevormd wanneer de bovenste huid voorbij de randen van de bijliggende schub groeit en de bovenste huid van deze schub overgroeit of ernaast ligt. Dit type Fukurin is zeldzaam en wanneer gevonden erg gewaardeerd. Om Type 2 Fukurin te herkennen kijk dan aandachtig naar de basis en einden van de schubben in de witte achtergrond (aleen aanwezig bij Kohaku en Sanke). Als deze huid doorgegroeid is naar de volgende schub dan is het Type 2 Fukurin.




Dit thema-artikel is tot stand gekomen door de versnipperde informatie omtrent Fukurin bij elkaar te zetten. Indien u een toevoeging wilt doen aan dit artikel neem dan gerust contact op via de contact-pagina!

Koi-Ontwikkeling.info gebruikt cookies en scripts van Google om uw gebruik van onze websites geanonimiseerd te analyseren, zodat we functionaliteit en effectiviteit kunnen aanpassen en advertenties kunnen tonen. Ook worden cookies en scripts van Facebook, Twitter, en Google gebruikt om social media integratie op onze websites mogelijk te maken.

Indien u hiermee niet kan instemmen dient u uw browser direct af te sluiten en de website niet te gebruiken. Meer informatie kunt u lezen in de Cookie- en privacy-verklaring.