Historie van bloedlijnen | Bloedlijnen | Poel van genen van toonaangevende kwekers

Bloedlijnen

genetisch materiaal voor kampioenen

Historie van bloedlijnen

Historie van bloedlijnen


Een bloedlijn geeft een bepaalde afstamming weer, die de ouderdieren ( Oyagoi ) waarmee gekweekt wordt met zich meedragen in hun genen. Deze genen worden doorgegeven aan hun nakomelingen. In deze genen liggen bepaalde erfelijke eigenschappen opgeslagen, zoals kleur, kleurintensiteit, lichaamsbouw, maar bijvoorbeeld ook groeipotentie en ontwikkeling van de koi door de tijd. Het moge duidelijk zijn dat de verschillende koi-variëteiten verschillende eigenschappen bezitten, daarom zijn er voor verschillende variëteiten ook verschillende bloedlijnen.

Waarom zijn bloedlijnen zo belangrijk?

Als de bloedlijn van een Koi bekend is kunnen we een betere inschatting maken van hoe de koi zich zal gaan ontwikkelen. Simpelweg omdat de erfelijke eigenschappen van de ouderdieren bekend zijn. Met nadruk op "een inschatting maken", omdat de uitzondering de regel bevestigt. Echter de erfelijke eigenschappen en wijze van ontwikkeling zijn bekend, waardoor een koi met een goede bloedlijn een grotere kans heeft om uit te groeien tot een prachtexemplaar. Koi afkomstig van goede bloedlijnen zijn in de regel een stuk duurder dan koi waarvan de bloedlijnen niet bekend zijn. Bloedlijnen zijn overigens alleen erkend voor Kohaku, Sanke en Showa. Er zijn overigens niet zo heel veel bloedlijnen, veel kwekers hanteren vaak een benaming genoemd naar het ouderdier en dit wordt vaak gelijk gesteld aan een bloedlijn. Feitelijk dient men dan te spreken over "kwekerslijnen" in plaats van bloedlijnen. Op deze schap van de bibliotheek vindt u hierover veel informatie!


Het ontstaan van de diverse variëteiten

Om inzicht te krijgen in de bloedlijnen van koi is het belangrijk om te weten hoe de verschillende variëteiten van koi zijn ontstaan. Het ontstaan van deze variëteiten geeft namelijk een inzicht in de erfelijke eigenschappen die deze koi met zich meedragen. Hier een kort overzicht, overigens staan niet alle variëteiten in dit overzicht vermeld:

Overzicht van variëteiten


De hedendaagse Nishikigoi zijn afstammelingen van de wilde karper ( Cyprinus Carpio ) Hoewel het oorspronkelijke verspreidingsgebied alleen Oost-Europa en Perzie besloeg werden karpers over de wereld verspreid om hun sierlijkheid of om als voedsel te dienen. Zo kwamen karpers ook in Japan terecht. Kleurmutaties kwamen bij deze vissen wel vaker voor, maar de Japanners waren de eersten die met deze "ongewone" karpers verder gingen experimenteren. Japanse rijstboeren hielden karpers in vijvers om als eten te dienen in de strenge winters rond 1820. Met de "ongewone" karpers begon men experimenteel te kweken vanuit esthetisch oogpunt. De meest kleurrijke vissen werden als huisdieren gehouden. Er ontstond Nationale belangstelling voor Nishikigoi toen Keizer Hirohito in 1914 enkele Nishikigoi kreeg aangeboden voor in de gracht van het Keizerlijk paleis.

Tegenwoordig wordt in Japan voor wilde karper de term "Magoi" gehanteerd. De drie kleurmutaties die spontaan ontstonden bij deze wilde karpers zijn Tetsu (grijze Magoi ) Doro ( bruine Magoi ) en Asagi ( Asagi Magoi ). Deze karpers hadden duidelijk andere tinten, of afzonderlijk getekende schubben in het geval van de Asagi Magoi.

De huid van Tetsu Magoi is heel donkergrijs, net als bij de eerste Showa's, om deze reden geloven sommigen dat de Showa ontstaan is uit de Tetsu Magoi. De Doro Magoi heeft een donkerbruine tint, welke mogelijk afkomstig is van Tetsu Magoi. Er wordt beweerd dat Chagoi en Ogon ontstaan zijn uit een kruising van Tetsu, Doro en Doitsugoi ( Spiegelkarper ) Doitsugoi werden ongeveer 100 jaar geleden naar Japan gebracht vanuit Europa als voedselbron. De moderne Asagi heeft een donker en lichtblauw netpatroon en is een directe afstammeling van de Asagi Magoi. De Asagi heeft de basis gevormd voor de ontwikkeling van een flink aantal verschillende varieteiten. Waaronder Kohaku, Taisho Shanshoku ( Sanke ), Goromo en Shiro Bekko. De Asagi Magoi is de basis geweest voor de ontwikkeling van de Ki-Matsuba en de Aka Matsuba.

In Japan zijn veel hoogtepunten van de geschiedenis vastgelegd in Tijdperken. Deze tijdperken zijn genoemd naar de op dat moment heersende Keizer en deze worden tevens gebruikt om de koigeschiedenis vast te leggen en te dateren. Hieronder vindt u een beperkt overzicht:

Het Bunka en Bunsei tijdperk (1804 tot 1829)


In dit tijdperk werden de eerste rode koi in Japan gekweekt. Het rood kwam als eerst voor op de wangen ( kieuwdeksels ) Ook witte koi werden voor het eerst gekweekt en gekruist met rode koi. Het resultaat hiervan waren koi met een rode onderbuik en/of achterlijf.

Het Tenpo tijdperk (1830 tot 1843)


Kwekers bleven proberen koi meer aantrekkelijk te maken. Hieruit ontstonden witte koi met rood op het voorhoofd ( Zukinkaburi ), een geheel rood hoofd ( Menkaburi ), rode lippen ( Kuchibeni ) en uiteindelijk met rode stippen op de rug ( Satassa )

Het Meija tijdperk (1868 tot 1912)


In 1888 ontstonden uit de witte koi met rode stippen op de rug de eerste moderne Kohaku. Een koikweker genaamd Gosuke uit het plaatsje Utogi ( het tegenwoordige Ojiya, Niigata ) kweekte deze nieuwe variëteit. De eerste Doitsugoi werden in dit tijdperk in Japan ingevoerd. Deze Doitsugoi werden gekruist met geheel geschubde koi, waardoor Doitsu koi ontstonden. Tegenwoordig zijn er van bijna iedere variëteit ook Doitsu koi.

Het Taisho tijdperk (1912 tot 1926)


De Sanke ofwel Taisho Shansoku werd vernoemd naar dit tijdperk. Een van deze witte koi, met rode vlekken en zwarte stippen werd voor het eerst tentoongesteld op een tentoonstelling in 1915, deze koi was toen 15 jaar oud. Als dit gegeven klopt, dan werden Sanke reeds in het Meija tijdperk gekweekt. Er moeten op dat moment al uitstekende Sanke bloedlijnen ontwikkeld zijn geweest, die de basis vormen voor de huidige Sanke bloedlijnen. De Shiro Utsuri ( Zwarte koi met witte vlekken ) werd voor het eerst gekweekt in 1925.

Het Showa tijdperk (1927 tot Januari 1989)


Over het algemeen vindt men dat het Showa tijdperk de grootste invloed heeft gehad op de ontwikkeling en verbetering van kwaiiteit in de bestaande koivariëteiten. In dit tijdperk groeide het houden van koi uit van lokale hobby tot een nationale hobby en handel. Hobbykwekers maakten hun beroep van het kweken van koi en werden in dit tijdperk fulltime kwekers. De kwekers schoten als paddestoelen uit de grond en door de expansie in de markt nam de concurrentie toe. Door deze concurrentie kwamen er veel nieuwe variëteiten bij en werd de kwaliteit van bestaande variëteiten verbeterd. Tijdens dit tijdperk werd de plastic zak uitgevonden, waardoor de koihobby en de verkoop van koi mondiaal werden.

De 3 meest belangrijke koivariëteiten worden "de grote 3" genoemd, deze groep heet de Go-Sanke groep. Hieronder vallen Kohaku, Sanke en Showa (en Shiro Utsuri).
De laatste van deze 3, de Showa ( zwarte koi met rood en wit patroon ) werd voor het eerst gekweekt in 1927. Showa ontstonden door Ki Utsuri ( zwarte koi met gele vlekken ) te kruisen met Kohaku ( witte koi met rode vlekken ). Omdat Showa ontstond uit Ki Utsuri ( geel )en Kohaku ( rood ) ontstond een geelbruinige kleur, er werden oplossingen gezocht om deze kleur te verbeteren tot een echte rode kleur. In 1964 was de heer Kobayashi de eerste die hierin slaagde. tegenwoordig gebruiken de meeste kwekers nog steeds de Kobayashi bloedlijn om Showa te kweken en te verbeteren.

In 1929 werden de eerste ( Diamond ) Gin Rin koi gekweekt. De reflecterende eigenschappen van de schubben, die als een diamant glinsterden gaven deze koi hun naam. Gin Rin is een laagje in schubben dat bovenop het pigment ligt.

Na 25 jaar lang geduldig kweken werd de ( cream ) Ogon, gele metallic koi, voor het eerst gekweekt in 1946. De tegenwoordige Yamabuki ogon, waarin het gele pigment duidelijk intenser is werd in 1957 voor het eerst gekweekt door het kruisen van de zeldzame Kigoi ( gele koi zonder metallic ) met de Ogon ( Cream ). Hierdoor werd de kwaliteit van metallic koi drastisch verbeterd en konden vele metallic versies worden gekweekt van reeds bestaande niet metallic variëteiten.

De Orenji Ogon ( Oranje metallic koi ) werd in 1953 ontwikkeld en de eerste Kujaku ( metallic oranje koi met grijs of zwart netpatroon ) werd voor het eerst in 1960 gekweekt. In het laatste decennium is de kwaliteit en daarmee ook de populariteit van de Kujaku enorm toegenomen

De Ai Goromo ( witte koi met rode vlekken, waarbinnen een grijze, zwart, blauw of paars netpatroon ligt ) werd in 1950 ontwikkeld door het kruisen van een mannelijke Kohaku met een vrouwelijke Asagi.

Tacho Yoshioka behaalde in 1963 een mijlpaal door het kweken van de eerste groene koi, de Midorigoi. Helaas is het kweken van Midorigoi nog steeds erg moeilijk omdat het gen om Midorigoi te kweken erg zwak is, de meeste van hen worden daardoor uiteindelijk zwart bij volwassenheid.


Het Heisei tijdperk (Januari 1989 tot heden)


Verschillende koikwekers die volgens traditie nieuwe koivariëteiten vernoemen naar het Keizerlijk tijdperk hebben de Doitsu Yamato Nishiki ( Doitsu Metallic Sanke ) vernoemd tot Heisei Nishiki. Toch hebben niet alle kwekers deze traditie overgenomen, zodat we deze variëteit nu onder beide namen tegenkomen.